Geschiedenis

De oorsprong van het werken met reddingshonden ligt bij het leger. In de Eerste Wereldoorlog werden er al honden opgeleid om gewonde soldaten op te sporen en gebruikt voor het doorgeven van berichten.

Men leerde de hond iets uit de omgeving of van de gevonden gewonde soldaten mee te nemen. Als de honden niks konden vinden, gingen ze aan de gewonde soldaten trekken om toch nog iets mee te nemen. Er moest dus naar een andere methode van aangeven of verwijzen gezocht worden. Hieruit ontstond de zogenaamde “Bringselmethode”, waarbij de hond een aan de halsband lederen koker bij het vinden van een “slachtoffer” in de bek nam en daarmee naar de geleider terugging.

In de periode tussen de beide Wereldoorlogen was er weinig noodzaak voor het zoeken naar gewonde soldaten en daardoor werd er weinig geïnvesteerd in het werken met reddingshonden. Wel ging men eind jaren dertig de legerhonden trainen voor het opsporen van explosieven. In de Tweede Wereldoorlog bleek dat honden van burgers vaak goed wisten aan te geven dat er personen onder de puinhopen van gebombardeerde huizen lagen. Deze honden kenden natuurlijk de “bringselmethode” niet, maar bleven vaak aanhoudend blaffen om aan te geven dat ze iets gevonden hadden.

Na de oorlog leerden ook politiekorpsen hun honden bij gevonden personen te blaffen, maar omdat de politiehonden toch meestal voor andere doeleinden gebruikt werden (het opsporen en grijpen van verdachten) hadden deze honden vaak veel moeite met het vriendelijk benaderen van slachtoffers. En dat is toch de doelstelling van het reddingshondenwerk.

In de jaren zestig begon in Nederland het gebruik van honden bij het zoeken naar vermiste personen een iets grotere rol te spelen dan voorheen. De Bescherming Burgerbevolking (BB) ging toen honden opleiden voor het reddingshondenwerk (o.a. met de Saarloos Wolfhond). Dit werd echter geen groot succes en mede door technologische ontwikkelingen en de grotere waarde die men hier aan hechtte, verwaterde het zoekwerk met honden weer.

In het buitenland was men iets actiever met het zoeken met honden. Vooral in de gebieden waar veel sneeuwlawines voorkwamen maakte men veel gebruik van reddingshonden, de zgn. lawinehonden.

In de jaren tachtig werden de eerste reddingshonden hulpdiensten in Nederland opgericht. Dit waren allemaal burgers die met hun eigen honden werkten. Omdat zowel de training als de inzetten zeer intensief bleken, bleven de verenigingen betrekkelijk klein en beperkt.

De inzetten in Nederland en buitenland verliepen niet altijd even makkelijk. Er moest vaak veel extra werk verzet worden voordat het daadwerkelijk tot een inzet kon komen. Financieel en logistiek was een inzet ook vaak problematisch. Om eventuele inzetten wat meer te centraliseren werd de SIN (Stichting Inzet Reddingshonden Nederland) opgericht. In de afgelopen jaren zijn er regionaal steeds meer verenigingen bijgekomen die reddingshonden teams opleiden. Dit heeft ook te maken met de veranderde trainingsinzichten en het werken met verschillende rassen.

Juist deze laatste factoren hebben een rol gespeeld in de oprichting van de stichting SRCN Reddingshonden. De stichting traint de honden volgens moderne methoden en toegespitst op de mogelijkheden en het karakter van de individuele honden.